Onafhankelijke website voor liefhebbers van onderaardse kalksteengroeven.

contact
item6

Naours
Het ondergrondse dorp

Naours ligt in de noord Franse Picardie (departement Somme). Op zo'n 18 kilometer van de plaats Amiens. Vanaf Maastricht is het ongeveer 4 uur rijden.  Het ondergrondse dorp dat voluit Naours-souterain heet wordt ook wel eens aangeduid als Muches de Naours.

Het stelsel
Dit stelsel wordt thans door de (Franse) deskundigen als het meest typische en intacte beschouwd. Met de hand uitgegraven op zo'n 30 meter onder het oppervlak in drie verschillende niveaus diende het uitsluitend als schuilplaats, dus niet als kalk- of vuursteenwinning. Het is dan ook een gehakt, en geen gezaagd, stelsel met erg ruwe wanden. Men heeft in een vuursteen rijke laag gewerkt .Het bestaat uit een dertigtal hoofdgangen. Naast deze hoofdgangen heeft het stelsel nog 28 galerijen en zo'n 300 kamers die gebruikt werden voor bewoning of veestal. Deze kamers zijn meestal haaks ten opzichte van de galerijen gegraven. Het stelsel is uitgespreid over drie niveaus met een totale lengte van meer dan twee kilometer. De gangen zijn tussen de 1.60 m. en 2.00 m. hoog.

De schuilende families groepeerden zich in een kamer die kon worden afgesloten met een houten deur. Deze deuren hadden boven en onder een ruime speling, dit om de natuurlijke "trek"" te bevorderen. In sommige van deze kamers zijn nog de uitgehouwen nissen die dienden als slaapplaats of opbergruimte te zien. Uiteraard zijn in de stallen en de nodige overblijfselen van voertroggen en halstergaten achtergebleven. Ook zijn er in de wanden vele beroete holtes te zien. Deze holten worden toegeschreven aan plaatsen waar kleine aardewerken olielampjes ("les créchets") als verlichting dienden. Veel van deze primitieve lampen zijn terug gevonden bij de uitgravingen door Abbé Danicourt.

De meeste onderaardse gangenstelsels in Frankrijk zijn uiterst karig voorzien van opschriften. Dit stelsel is een uitzondering hierop. Door de ruwe oppervlakten is het vaak even zoeken maar ze zijn er wél degelijk. Meestal klein en aangebracht in de haksporen. Deze opschriften variëren van monogrammen van Christus, de heilige maagd, blazoenen, kruizen, plaatsnamen, familienamen en een groot aantal data van 1340 tot 1792.

Er was een mogelijkheid tot het maken van vuur en het bakken van brood. Ook was er een slagerij waarvan het stenen slachtblok nog steeds te bekijken is. De rookkanalen en ventilatiekanalen zijn volgens een vernuftig systeem in de kalksteen uitgehakt. Ze komen in de schoorstenen van de boven het stelsel gelegen dorpshuizen uit. Één komt zelfs in een nog steeds bestaande windmolen uit! Hierdoor werden de ondergrondse verblijven niet verraden door rook die "ergens" uit de heuvel kwam. Behalve bij de ingangen waren er ook in het stelsel zélf nauwe passages gemaakt die men alleen gehurkt kon passeren. Het stelsel was hierdoor makkelijk te verdedigen tegen ongewenste indringers. Of men zich ooit heeft moeten verdedigen tegen indringers is mij niet bekend.

Een van de meest opvallende ruimten is de kapel. Deze kapel heeft drie zijbeuken en kon aan zo'n 400 personen plaats bieden. Volgens de gids is er een opmerkelijke overeenkomst met de "arcosoliums" in de catacomben van Rome. Verder zijn er nog verschillende kruispunten waarvan sommigen een indrukwekkende vrije overspanning hebben. Deze kruispunten hebben dan ook namen als congreshal, rotonde en de versterkte hal. Veel van de hoofdgangen hebben straatnamen naar de erboven gelegen straten gekregen. De langste “straat” is honderd meter lang. Een plakette herinerd hieraan.

Abbé Danicourt
In de 19e eeuw was dit ondergrondse dorp niet meer in gebruik en raakte het langzaam in de vergetelheid. In 1887 begon de geleerde Abbé Danicourt (1846-1912), sinds een jaar pastoor van het dorp Naours, nieuwsgierig geworden door de oude verhalen die de ronde deden, een zoektocht naar dit ondergrondse dorp. Al naar enkele dagen werden zijn zoektochten beloond. Op 15 december 1887 vond pastoor Dancourt een oude, dichtgestorte en invergetelheid geraakte ingang. Veel gangen waren door de tijd heen vol geslipt. Het duurde dan ook meerdere jaren eer alles was leeggeruimd en men inzicht in de uitgestrektheid van dit stelsel kreeg. Pastoor Danicourt was de drijvende kracht achter dit werk. Hij werd, vooral in de wintermaanden geholpen door zijn parochianen die in het sterk op de landbouw georiënteerd gebied in de wintermaanden tijd over hadden. Tijdens deze opgravingen zijn veel artefacten gevonden. Er wordt zelfs in 1905 gesproken van een schatvondst. Abbé Danicourt schrijft hierover: "het is een schat samengesteld uit twintig goudstukken, gevonden op de meest banale plaats in de ondergrond bij het zoeken naar een verbinding tussen de rotonde en de hoofdingang. Deze plek krijgt voortaan de naam Schattengalerij".

Helaas zijn in de tweede wereldoorlog de mooiste door de opgravers verzamelde stukken meegenomen door de Duitse bezetters. Abbé Danicourt heeft op diverse plaatsen kruisbeelden en dergelijke aangebracht om de “hogere macht” te bedanken. Hij was tenslotte pastoor.

Het verleden
De geschiedenis van dit ondergrondse dorp gaat ver terug, men spreekt zélfs van Romeinse tijden. Helaas is deze in de groevenwereld vaak gehoorde bewering ook hier niet met feiten te staven. Ook wordt er gesproken van ondergrondse holen uit het stenen tijdperk. Deze holen zouden in latere tijden zijn uitgediept tot het gangenstelsel dat men nu kent. Bij de huidige ingang is een paviljoen waarin een klein museum is gehuisvest. Dit museum heeft een ruime collectie vuurstenen speerpunten, bijlen en andere hak en snijvoorwerpen. Helaas is mijn kennis van dit onderwerp niet genoeg om een oordeel over de echtheid te kunnen geven. De ingangen liggen in een dalwand waarvan de situering, me wat liet denken aan de Plenkert te Valkenburg. Een steile, bijna loodrechte, beboste wand waar men holten in heeft uitgehakt. Aangezien het hier gaat om een vergelijkbare situatie zou het dus best zo kunnen zijn dat ook hier in de prehistorie de eerste holten zijn uitgehakt (zoals bekend mag zijn heeft men aan de Plenkert vuursteenmijntjes uit de  prehistorie gevonden). Ook in deze situatie komt de vuursteen/kalksteen aan het oppervlakte.

De eerste gangen werden volgens het verhaal in de Gallo-Romeinse tijd uitgebreid en vergroot tot schuilplaatsen. Er zijn verschillende munten en gebruiksvoorwerpen in het gangenstelsel gevonden die aan dit tijdperk worden toegeschreven. De Gallo-Romeinse tijd is een vooral in België en Frankrijk gebruikelijke benaming voor de Romeinse periode in die gebieden. De periode begint bij de verovering van Gallië door Julius Caesar tussen 58 en 51 v.Chr. (de zgn. Gallische Oorlogen) en eindigde bij Syagrius in 486, de laatste Romeinse heerser over een deel van Gallië, hoewel aan het Romeinse gezag in het huidige België en Frankrijk al vroeger door Germaanse invallers een eind kwam. (bron: Wikipedia)

Zeker is dat het stelsel is ingericht voor langdurig verblijf tijdens de volksverhuizingen in de periode van de derde en vierde eeuw en later in de negende eeuw ten tijde van de rooftochten van de Noormannen. De vele opschriften, vondsten van gebruiksvoorwerpen en munten in de bodem van het gangenstelsel uit deze periode, tonen dit aan. Het ondergrondse dorp werd in haar bestaan tijdens onrustige tijden regelmatig gebruikt voor bewoning. De laatste echte lange bewoning vond plaats tijdens de oorlogen van Lodewijk XIV. In het bijzonder tijdens de Engelse inval rond 1709. Wél moet nog worden opgemerkt dat het dorp later nog een belangrijke rol heeft gespeeld voor de opslag van zout door zoutsmokkelaars (op zout werd omstreeks 1750 zware belasting geheven). Het stelsel werd hierna niet meer als schuiloord gebruikt. Incidenteel werd er wél nog tijdens strenge winters gebruik van gemaakt. Vooral door spinners en wevers uit het bovenliggende dorp die hier een warmere werkplek vonden.

Van 1916 tot 1918 verbleven er Engelse en Canadese regimenten. Dit gebied lag in de tweede verdedigingslinie in de loopgravenoorlog. Ik heb op de ruwe wanden verschillende opschriften van de hier gelegerde militairen gezien. Meestal gaat het hier om kleine, met potlood, geschreven namen of boodschappen.

Ook in de tweede wereldoorlog zag men het nut van deze onderaardse gangen in. In 1939/40 werden enkele gangen als brandstofopslag gebruikt door het engelse expeditie leger. Dit leger kwam de Franse troepen te hulp tijdens de Duitse inval in Frankrijk. Later, in 1943, werd Naours-souterain een belangrijke Duitse basis in het Atlantic Wall programma. De Duitse bezetters verbouwden een gedeelte van het stelsel grondig. De juiste betekenis van deze basis is nooit helemaal duidelijk geworden maar de vermoedens zijn, gezien de geplaatste apparatuur, dat het hier om een station  voor het verstoren van radio uitzendingen en/of een commando centrale voor de kustverdediging ging. Het is bekend dat de Duitse generaal Rommel grote belangstelling voor dit stelsel had. Er wordt zelfs beweerd dat Hitler persoonlijk het stelsel heeft bezocht maar hier zijn geen bewijzen van gevonden en mogen dus als "opsmuk" van de gids die ons vergezelde worden gezien. Er zijn nog wat overblijfselen uit deze periode achtergebleven maar gelukkig is het oorspronkelijke stelsel hierdoor niet te veel aangetast en is de authentieke sfeer voor een groot deel bewaard gebleven.

Het heden
Tegenwoordig is dit ondergrondse dorp een toeristische trekpleister van de eerste orde. Het is dan ook met een gids te bezoeken. Men doet zich moeite om alles zo goed mogelijk te conserveren. Op het eerste gezicht doet de toeristische exploitatie het ergste vrezen. Er is, om alles wat aantrekkelijker te maken, een dierenpark met midget golf bij gebouwd. De entrée bedroeg maar liefst tien Euro!

Gelukkig valt het toeristische in het ondergrondse stelsel reuze mee. Het is elektrisch verlicht maar dit is tot het minimale beperkt en de gids (de onze tenminste) is de Engelse taal goed machtig en deed zijn uiterste best om onze vragen zo goed mogelijk te beantwoorden.

In deze omgeving zijn meerdere ondergrondse schuilplaatsen. Een locale bewoner wist ons te vertellen dat bijna elk dorp een ondergrondse schuilplaats heeft. Een enkele is nog toegankelijk voor de toeristische bezoeker, maar qua omvang lang niet zo groot als het vluchtdorp Naours.

Met dank aan:
Ton Breuls

Bronnen:
Veel informatie komt uit het boekje "het ondergrondse vluchtdorp van Naours" en het verhaal verteld door de gids tijdens het bezoek van Ton Breuls en ondergetekende, uit mijn geheugen en natuurlijk het internet.

caestert.net

contact